Korte geschiedenis van KIT
Koloniaal Museum
De geschiedenis van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) gaat terug tot 1871, toen in Haarlem het eerste koloniale museum ter wereld zijn deuren opende. Het Koloniaal Museum verzamelde en toonde objecten uit de Nederlandse koloniën in ‘de Oost’, voornamelijk uit Indonesië, en daarnaast uit Suriname en de verschillende Caribische eilanden in ‘de West’. Het museum was een initiatief van de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering van Nijverheid en Handel, kortweg de Maatschappij.
In lijn met de missie van de Maatschappij had het museum tot doel de vraag te stimuleren naar producten uit de koloniën, zoals textiel, voedingsmiddelen, (rotan) meubels, rubber en kinine, en de bruikbaarheid daarvan voor de Nederlandse nijverheid te onderzoeken. De Maatschappij wilde de Nederlandse bevolking met dergelijke producten ‘kennis laten maken’ en museumbezoekers voorlichten over de culturen, religies en gebruiken van mensen in de koloniën — mensen die daar onder Nederlands bestuur leefden of als contractarbeiders vanuit andere koloniale gebieden naartoe waren gestuurd. Zo hoopte de Maatschappij ook jonge mannen te interesseren voor een loopbaan in de koloniën.
Koloniaal Instituut
In minder dan een halve eeuw was het Koloniaal Museum in Haarlem uitgegroeid tot een instelling van nationaal belang, waardoor er behoefte ontstond aan meer ruimte. In het najaar van 1910 ging het museum in op een voorstel van de Vereeniging Koloniaal Instituut – een vereniging opgericht door enkele invloedrijke burgers, onder meer in samenwerking met het ministerie van Koloniën en de gemeente Amsterdam – om in de hoofdstad een imposanter Koloniaal Instituut te vestigen. In heel West-Europa ontstonden vergelijkbare instellingen, zoals het Imperial Institute in Londen, het Palais des Colonies in Tervuren, het Musée des Colonies in Parijs en het Kolonialinstitut in Hamburg. De doelstellingen van het Koloniaal Instituut omvatten de bevordering van koloniale ‘wetenschap’, gezondheidszorg en economische en technologische ‘ontwikkeling’.
In januari 1916 begon de bouw van een pand dat speciaal voor het Koloniaal Instituut was ontworpen. De bouw werd grotendeels gefinancierd door bedrijven en families die banden hadden met het koloniale rijk. Ondernemingen met financiële belangen in het toenmalige Nederlands-Indië stonden het meest open voor de missie van het nieuwe instituut, wat resulteerde in een sterkere focus op die regio. In het najaar van 1926 opende koningin Wilhelmina het gebouw officieel.
Architectuur
Voor het ontwerp en de bouw van het nieuwe pand had de Vereeniging Koloniaal Instituut de architectenfamilie Van Nieukerken ingeschakeld. Vader en zonen Van Nieukerken noemden het project de Behouden Reis. Zij lieten zich inspireren door Nederlandse historische voorbeelden, met name kastelen in de Hollandse renaissancestijl van de zestiende en zeventiende eeuw. Deze kenmerkende neorenaissancestijl is terug te zien in de veelkleurige natuurstenen (trappenhuis)gevels, de ornamentiek en het gebruik van steunberen en gestileerde muurankers.
De architecten maakten gebruik van moderne materialen zoals gewapend beton, en het ontwerp voorzag in een elektrische installatie en een alarminstallatie. Het ontwerp kreeg kritiek van andere architecten, die de weelderige, rijk versierde stijl te traditioneel, ouderwets en kostbaar vonden. De schoonheidscommissie van de gemeente keurde het ontwerp zelfs af wegens een gebrek aan evenwicht, eenheid en aansluiting bij de omgeving. Burgemeester en wethouders van Amsterdam legden dit advies echter naast zich neer.
De historiserende stijl en de decoratieve detaillering waren doelbewust gekozen: de stijl werd als typisch Nederlands beschouwd en moest de ‘glorietijd’ van de natie oproepen. De architecten werkten samen met kunstenaars uit hun netwerk, zoals Louis Vreugde (1868-1936) voor de beeldhouwwerken en Willem Retera (1858-1930) voor het reliëfsnijwerk, dat deels gebaseerd was op tekeningen van W.O.J. (Wijnand) Nieuwenkamp (1874-1950).
Symboliek
Een Commissie voor Symboliek zag erop toe dat de beeldhouwwerken en schilderingen de missie van het Instituut uitdroegen. In totaal zijn er meer dan 200 decoratieve elementen. De ornamenten symboliseren de oprichting en de werkterreinen van het Instituut, vertellen de koloniale geschiedenis tussen de zeventiende en het begin van de twintigste eeuw, en beelden het (sociaal-culturele) leven in de Indonesische archipel uit. Ondanks de beoogde soberheid is het gebouw overal versierd, van de deurklinken tot de toiletten. Waar je ook kijkt, zie je afbeeldingen van planten, bloemen, dieren, religies, landbouw, ambachten en historische gebeurtenissen met koloniale connotaties.
De oprichters van het Instituut lieten hun eigen ‘helden’ in het gebouw vereeuwigen: kopstukken van de VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie), koloniale ambtenaren en zijzelf. Zij zijn prominent aanwezig in het hele gebouw. De verheerlijking van dergelijke personen en van de Nederlandse natiestaat is, net als hun afbeeldingen op het gebouw, steeds minder vanzelfsprekend en steeds omstredener.
Drie afdelingen
Het Koloniaal Instituut bestond uit drie afdelingen: Handel, Volkenkunde en Tropische Hygiëne. Die laatste deelde een laboratoriumgebouw met de Universiteit van Amsterdam in het Oosterpark. De afdeling richtte zich op de volksgezondheid in Nederland en in de gekoloniseerde gebieden, en verrichtte medisch onderzoek naar de preventie en bestrijding van ziekten. Daarnaast onderzocht en ontwikkelde de afdeling Tropische Hygiëne programma’s om een gezonder leven in de koloniën te bevorderen. Hoewel inheemse medische kennis werd toegeëigend voor de ontwikkeling van medicijnen, werd die nauwelijks of nooit erkend.
De andere twee afdelingen verzamelden objecten uit de koloniën en verspreidden kennis over grondstoffen, natuurlijke hulpbronnen, de bevolking en haar culturen, talen en gebruiken. Die kennis werd gebruikt om ambtenaren en bedrijfsmedewerkers op te leiden die naar de koloniën zouden vertrekken. Elke afdeling had een eigen ruimte binnen het museum. Het voorlichten van het publiek was een andere belangrijke beleidsdoelstelling, die werd bereikt door objecten in het museum tentoon te stellen en informatiepakketten aan Nederlandse scholen te verstrekken. Op deze manieren speelde het Koloniaal Instituut een belangrijke maatschappelijke rol in de verspreiding van koloniaal denken en de instandhouding van het koloniale systeem.
Een nieuwe naam, een nieuw doel
Het Koloniaal Instituut zette zijn werk vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog in beperkte mate voort, tot het in 1944 zijn deuren sloot. Een deel van het gebouw werd door de nazi’s gevorderd om er de Duitse Orde-politie te huisvesten. Al in de laatste maanden van de oorlog dacht het bestuur na over een nieuwe naam voor het Instituut. De bestuurders verwachtten dat de term ‘koloniaal’ met het Atlantic Charter van 1941 en de voorgenomen oprichting van de Verenigde Naties na de oorlog niet langer aanvaardbaar zou zijn. Bovendien was een nieuwe naam niet genoeg; het Instituut had ook een nieuw doel nodig. Om de onlosmakelijke band tussen Nederland, Indonesië en de West te benadrukken, koos men voor ‘Indisch Instituut’.
In 1945 riep de Republiek Indonesië vervolgens haar onafhankelijkheid uit. Het duurde nog vier jaar van gewapende strijd en onderhandelingen voordat Nederland dit in 1949 aanvaardde. Voor het Instituut was het opnieuw tijd voor een koerswijziging. In 1950 werd het Instituut omgedoopt tot Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) en werd het museum het Tropenmuseum.
De aandacht verschoof van de koloniën naar ‘het volbrengen van de grote taak die de westerse landen zich ten aanzien van de tropen hebben gesteld en het bevorderen van de economische ontwikkeling van Nederland’. Het nieuwe Instituut en het museum kwamen onder het gezag van het ministerie van Buitenlandse Zaken te vallen, in het bijzonder wat betreft ontwikkelingshulp, en richtten zich volledig op de ondersteuning en bevordering van dergelijke projecten. Deze gewijzigde omstandigheden hadden ook gevolgen voor het Tropenmuseum. In de jaren zestig en zeventig organiseerde het museum tentoonstellingen om ‘alle facetten van de ontwikkelingsproblematiek aan het grote publiek te tonen en te verklaren, geheel in lijn met het eigen dynamische karakter van het ontwikkelingsproces’.
Trainingscentrum en theater
In de decennia daarna voegde KIT onder meer een nieuw hotel en een opleidingscentrum toe voor bezoekende deskundigen op het gebied van landbouw en gezondheidszorg in het mondiale Zuiden. Deze opleidingen omvatten programma’s voor tropenartsen en zogenoemde technische assistenten en vrijwilligers – deskundigen die kortere of langere tijd zouden werken aan landbouwprojecten of voor overheidsorganisaties in wat destijds de ‘Derde Wereld’ werd genoemd. Ook kwam er een Tropentheater om het werk van artiesten uit deze ‘ontwikkelingslanden’ voor het voetlicht te brengen. Daarna volgde een kindermuseum. Een grote verbouwing in de jaren zeventig gaf het museum een nieuwe, ‘laagdrempelige’ entree, omdat de toegankelijkheid van musea een actueel thema was geworden, zowel letterlijk als in maatschappelijke zin. In 2000 kwam daar een nieuw ondergronds collectiedepot bij, samen met een geheel nieuw opleidingscentrum aan de Linnaeusstraat, achter de toren van de voormalige Muiderkerk.
SDG House
Als gevolg van de economische crisis van 2010 en het daaropvolgende debat over de besteding van de rijksbegroting aan ontwikkelingshulp besloot het ministerie van Buitenlandse Zaken in 2012 de financiering van KIT te beëindigen. Het theater en de bibliotheek sloten in 2013. De erfgoedcollecties van de bibliotheek gingen over naar de Universiteit Leiden. De omvangrijke moderne collectie over ‘internationale samenwerking’ werd overgenomen door de Bibliotheca Alexandrina in de Egyptische stad Alexandrië.
KIT zette zijn activiteiten voort als kenniscentrum voor duurzame landbouw, volksgezondheid en gender in het mondiale Zuiden, en biedt sindsdien onderdak aan zo’n 70 organisaties op het gebied van duurzaam ondernemen. In 2018 doopte Kofi Annan, voormalig secretaris-generaal van de Verenigde Naties, het pand ‘SDG House’: een ontmoetingsplek voor experts, professionals en ondernemers die werken aan de Sustainable Development Goals van de VN.
Van Tropenmuseum naar Wereldmuseum
Als gevolg van deze landelijke ontwikkelingen verbraken het Tropenmuseum en KIT in 2014 formeel hun banden. De collectie van het museum ging over naar de Nederlandse staat, en het museum fuseerde met Museum Volkenkunde in Leiden en het Afrika Museum in Berg en Dal tot de Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen. In 2017 ging het NMVW een structurele samenwerking aan met Stichting Wereldmuseum Rotterdam. Sinds oktober 2023 opereren deze vier locaties onder één naam: Wereldmuseum. Het museum in ons gebouw is het Wereldmuseum Amsterdam (voorheen Tropenmuseum).
Na bijna een eeuw samen aan dezelfde missie te hebben gewerkt, zijn KIT en het museum nu gescheiden instellingen. Toch blijft ons gedeelde koloniale verleden, waaraan dit gebouw ons herinnert, ons verbinden, net als onze gedeelde visie op een rechtvaardige en duurzame toekomst.